Zoldergeheimen

Opaline schilderij

Op rommelmarkten kom je ze nog wel eens tegen: opalines. In de jaren vijftig van de vorige eeuw modern en nu een bijna vergeten techniek. Opaline is ondoorzichtig gebrandschilderd glas zonder lood, blank glas bedekt met een laagje melkglas of half doorzichtig glas. Deze opaline afbeelding of schilderij is opgebouwd uit een mozaïek van beschilderde glasscherven. De kleur lichtgrijs in combinatie met zwart en een waas van groen en blauw om de hoofden geven het een aparte uitstraling. Vervaardiger van ondertaande opaline uit 1957 is kunstenaar Jacques Verheijen (1911- 1989) uit Echt. Het stelt de symbolische afbeelding voor van het gezin de Wit- Gellen uit Panningen. Het gezin van Mathijs en Ida de Wit-Gellen uit Panningen had vier kinderen. H. Matheus, rechts voor met zwaard, vader Mathijs de Wit, links voor H. Ida, moeder Ida Gellen, links achter H. Alpfonsus, zoon Alphons de Wit (priester), midden, H. Maria, dochter Maria de Wit (kloosterzuster), rechts achter, H. Hendricus, zoon Hendricus de Wit (priester).
Kind met duif, waarschijnlijk dochter Noortje (1924-1936), die op twaalfjarige leeftijd is overleden.

Deze opaline is te mooi om in het depot op te bergen. Na een grondige schoonmaakbeurt met wasbenzine en inwrijven met blanke was zal ze een waardige plaats krijgen in het museum.

 

 

Thuisslacht.

In deze aflevering gaan we wat dieper in op de tot midden zestiger jaren gebruikelijke thuisslacht. Het was toen een jaarlijks terugkomend ritueel. In het najaar, rond oktober, werd het vetgemeste varken voor eigen gebruik geslacht. Vroeg in de morgen was het een drukte van belang. Alle benodigdheden werden schoongemaakt en onder de ketel werd het vuur opgestookt voor heet water. Messen waren geslepen, kommen en ketels klaargezet en het wachten was dan op de slager. Het woord slager komt van slaan. In vroeger tijden sloeg hij voor het steken met een hamer op de kop van het dier om het te verdoven. Later werd de slagpin gebruikt en de opvolger van deze was het schietmasker.
 

Het slachtoffer werd aan zijn rechterachterpoot voorzien van een touw (zèlke) om het om te trekken en te steken. Het schietmasker werd tegen het voorhoofd geplaatst. Het wapen was geladen met een afvuurpatroon, de slagpin gespannen en door het indrukken van de hendel ging het schot af. De stalen pin met een lengte van ongeveer tien centimeter dringt met grote kracht in de hersenen. Het dier is dan hersendood/bewusteloos. Het was de verantwoordelijkheid van de slager dat alles rustig en in zo kort mogelijke tijd gebeurde om dierenleed te vermijden. Helaas ging het wel eens mis en gebeurden er ernstige ongelukken met het schietmasker, soms met dodelijke afloop voor de slager of zijn knecht. Direct na het schot werd het varken op een zij getrokken en de halsslagader doorstoken om leeg te bloeden. Het bloed werd al roerend opgevangen om later verwerkt te worden. Daarna werd het kadaver met heet water overgoten om de haren makkelijker te verwijderen met behulp van de schrabber (slagbel). Soms werd ook de gasvlam of een brandende bundel stro gebruikt om haren af te branden.

Na het verwijderen van de teennagels en reinigen van de huid werd het karkas bevestigd aan een spreidhout en op een ladder gehangen. De volgende handeling was het openen van de buik en het verwijderen van de ingewanden en organen. Als het varken schoon op de ladder hing moest het besterven en was het wachten op de keurmeester die zijn stempel plaatste als teken van goedkeuring. De vleeshaak werd gebruikt om tong, luchtpijp, lever en longen, die nog met elkaar en aan het dier verbonden waren, op te hangen als bewijs voor de keuring dat ze bij het kadaver hoorden. Een ervaren slager had ongeveer twee uur nodig om een volwassen varken schoon op de ladder te hangen.

 

 

Verklaring gereedschap slager:
1 slagpin
2 schietmasker ook wel percuteur genoemd
3 vleeshaak
4 touw, zèlke (dialect)
5 schraper ( slagbel)
6 aanzetstaal
7 wetsteen
8 koker met diverse messen
9 spreidhout

Comments are closed